Antisocialistisch manifest


Het basisidee

Telkens als ik en plein publique verklaar dat ik dat ik het socialisme beschouw als een perverse ideologie; dus niet als een op zichzelf loffelijk en nastrevenswaardig ideaal dat helaas in de praktijk faalt door tegenwerking van gewetenloze egoïsten, maar als een intrinsiek onrechtvaardig en immoreel, om niet te zeggen crimineel systeem, dat onvermijdelijk gedoemd is om uit te draaien op totale zelfdestructie of totale dictatuur (ja hoor eens, zo denk ik er nu eenmaal naar eer en geweten over, en dan kun je daar ook maar beter rond voor uitkomen, zeg ik altijd maar) dan valt dat in het algemeen nogal slecht.

Gek genoeg worden dan niet alleen de socialisten kwaad; zelfs de VVDers en de christendemocraten in het gezelschap tonen zich geshockeerd. Zo diep zit het er bij iedereen in dat socialisme gelijk staat aan rechtvaardigheid, barmhartigheid, menslievendheid en voorspoed. Zo diep is het in ons onderbewuste gehamerd dat je een zelfzuchtig monster bent als je bezwaar maakt tegen gedwongen solidariteit en gedwongen egalitarisme, eenzijdig opgelegd door een leger zelfbenoemde filantropen die niet met de collectebus rondgaan maar met een dwangbevel, en zich in ruil daarvoor ook nog eigenmachtig een vet jaarsalaris toeëigenen uit de opbrengst.

En altijd word je dan blindelings ingedeeld in het kamp van de conservatieven, de kapitalistische uitbuiters, de verheerlijkers van het verleden, de voorstanders van het kolonialisme, kortom van de mensen die terugverlangen naar het feodalisme van voor de Russische revolutie, als het ware. Men vindt dat kennelijk een vanzelfsprekendheid: als je de ene vorm van terreur afwijst, dan pleit je dús voor een andere vorm van terreur, in hun ogen. Kennelijk beschouwen ze zichzelf als onmondige kinderen, die de staat als kleuterleidster nodig hebben om te overleven. Een wereld zonder terreur en dwang, daar kunnen ze zich geen voorstelling van maken, en daar verlangen ze ook niet naar. Dat noemen ze een utopie, en daarmee is voor hen de kous af. Ze missen hun vrijheid niet eens. Ze zijn geheel gehospitaliseerd.

Het grappige is: ik verfoei het socialisme juist om precies dezelfde reden waarom ik het feodalisme verfoei. En wel hierom: beide systemen legaliseren dat de ene bevolkingsgroep wordt leeggemolken uit naam van de andere. Het zijn loten van dezelfde stam, met dien verstande dat ze elkaars spiegelbeeld zijn: bij het feodalisme parasiteerde een klein groepje nietsnuttende rijken op een kolossaal leger produktieve armen; bij het socialisme parasiteert een kolossaal leger nietnuttende armen op een klein groepje produktieve rijken. Maar die dwang, die hebben beide systemen gemeen, en ze zijn dan ook beide onherroepelijk gedoemd om te falen.


Vrijheid en handel in de 17e eeuw
Want met dwang en terreur is nog nooit een levensstandaard verhoogd. Nooit is de welvaart zo explosief gegroeid als juist in die zeldzame gevallen waar de individuele vrijheid het grootst was, en de dwang van bovenaf het kleinst. Je kunt het in ieder geschiedenisboek lezen: de legendarische bloei van steden als Florence, Brugge en Gent in de zeventiende eeuw was te danken aan de opkomst van een onafhankelijke koopliedenstand, die zich had ontworsteld aan het feodale systeem dat het vrije verkeer van goederen en diensten tussen vrije burgers belemmerde. (In dit stadium werpt er altijd wel een sociaaldemocraat triomfantelijk tegen dat de ondernemingsvrijheid in die branche helemaal zo groot niet was, omdat gilden toen de vrije toegang tot allerlei ambachten blokkeerden. “Daar heb je helemaal gelijk in”, zeg ik dan. “Zelfs in de Hanzesteden werd het vrije verkeer van goederen en diensten nog steeds belemmerd door gilden, zij het dan niet half zo rigide als onder het feodale systeem. De duimschroeven waren niet eens verdwenen; ze waren alleen maar ietsje losser aangedraaid. En bingo! Dat alleen al had een ongekende voorspoed tot gevolg. Kan je nagaan hoe spectaculair die welvaart zou zijn gegroeid zónder gilden! Of wou je soms beweren dat de economische bloei juist aan de bevoogding van de gilden te dánken was?)

Helaas zijn deze oases in de woestijn van de wereldgeschiedenis dun gezaaid; het gros van de wereldbevolking heeft nooit zo’n periode gekend. In verreweg de meeste gevallen werd het stuiptrekkende feodalisme, nog vóór het helemaal aan zijn eigen uitzuigersmoraal te gronde was gegaan, in één klap vervangen door een nieuw terreursysteem, namelijk het Marxisme. En dus begon het systematisch plunderen van de produktieven opnieuw, ditmaal weliswaar uit naam van de onderklasse in plaats van de bovenlaag, maar met even desastreuze gevolgen. Want elke samenleving waar meneer A in zijn onderhoud voorziet door op de zak van meneer B te teren is gedoemd om te verpauperen. Je zit dan immers met een groep die niets bijdraagt aan de produktie van goederen en diensten, en alleen maar consumeert. Dit, kan ik u met de hand op het hart verzekeren, is niet bevorderlijk voor het bruto nationaal produkt.

Socialisme (of het zich nou communisme noemt, of zich verschuilt achter de bedrieglijke term sociaaldemocratie; het komt allemaal op hetzelfde neer, laten we wel wezen) is niets anders dan feodalisme, maar dan op zijn kop gezet. Beide bedienen ze zich dan ook van dezelfde technieken om hun terreur te rechtvaardigen: onder het feodalisme waren het de priesters die het volk inpeperden dat de vorst namens god onderdrukte en uitzoog (en die in ruil daarvoor een flink aandeel van de buit kregen toegeschoven); onder de soci’s zijn het de academici (de hoogleraren Grootstedelijke Vraagstukken zal ik maar zeggen) die hetzelfde doen met hun ondoorgrondelijk academische abracadarba, alleen ditmaal niet uit naam van God maar van de Zwakkeren In De Samenleving. Maar of het nou de minderheid is die de meerderheid plundert, of andersom, voor het Bruto Nationaal Product maakt dat niks uit. Je hoeft waarachtig geen wiskundige te zijn om dat in te zien.

Die feodalen hebben het volgens mij zo lang kunnen uithouden omdat de onderklasse die zij exploiteerden wel genoodzaakt was zich in het zweet te blijven werken, om zelf niet van honger om te komen. Zolang die onderklasse nog adem had en kinderen kreeg, zo lang waren de aristocraten verzekerd van een onuitputtelijke bron van inkomsten uit andermans arbeid. Dat wil zeggen: tot ze met hun kop onder de guillotine werden gelegd natuurlijk.

Het socialisme daarentegen beschikt niet over zo’n onuitputtelijke bron; daar exploiteert een groeiend leger “zwakkeren” een zienderogen slinkend contingent “sterkeren”. Dat systeem heeft geen guillotine nodig om in elkaar te storten; het gaat namelijk te werk als een virus dat zijn eigen gastheer uitroeit. Naarmate de “zwakkeren”, daarin gesteund door de politieke machthebbers, hun eisen steeds verder opschroeven blijven er steeds minder “sterkeren” over om te plunderen. Elke sterkere die onder die last bezwijkt voegt zich immers bij het groeiende leger zwakkeren, en slaat eveneens aan het plunderen. Bovendien: in een samenleving waar je de vruchten van je eigen arbeid niet zelf mag houden - of althans maar zeer minimaal - daalt per definitie de animo om te werken. De animo daarentegen om aan het loket een aalmoes te gaan halen neemt stormachtig toe, vooral als je daarvan, zoals bij ons, op dezelfde voet kunt leven als je buurman met z’n 40-urige werkweek.


Sociaal
democraten?
Zo’n spiraal van geïnstitutionaliseerd kannibalisme kan alleen maar eindigen in een zwart gat, waarin de kannibalen, bij gebrek aan voldoende weldoorvoede missionarissen, tenslotte elkaar beginnen te verslinden. Daar zijn we in dit land al heel dicht bij; zelfs Jan Modaal met z’n 40-urige werkweek betaalt zich thans scheel om zijn lijntrekkende buurman een modaal inkomen te bezorgen. Daarnaast moet hij zich ook nog scheel betalen aan de operakaartjes van de upper ten. Ondanks al het socialistische gewauwel over “een rechtvaardiger inkomensverdeling” subsidiëren de armen nog steeds de rijken, net als onder het feodalisme. Alleen hebben ze nu twee molenstenen om hun nek, want ze moeten niet alleen de hobby’s van de rijken bekostigen, maar ook nog het levensonderhoud van al hun “uitkeringsgerechtigde” mede-armen. De “tweedeling tussen arm en rijk”, waar de socialisten het zo te kwaad mee hadden, is vervangen door een nieuwe, die nog veel destructiever is: de tweedeling tussen zwoegers en lijntrekkers, tussen belastingbetalers en belastingconsumenten. De groep belastingconsumenten wordt uiteraard steeds groter, omdat behalve de steuntrekkers ook die honderdduizenden improduktieve ambtenaren daartoe behoren. En niet alleen vermenigvuldigen die ambtenaren zich als konijnen; ze spannen zich ook tot het uiterste in om die groep steuntrekkers steeds groter te maken. Want aan die steuntrekkers ontlenen zij immers hun bestaansrecht. Een kind kan begrijpen dat dat op een catastrofe uit moet lopen; nu al is in Nederland de helft van de beroepsbevolking voor zijn inkomen afhankelijk van de staat, en dat gaat alleen nog maar erger worden. En toch blijft iedereen tegen beter weten in veinzen dat dit menseneterssysteem op termijn zal leiden tot voorspoed en geluk voor ons allemaal. Zelfs VVD-ers en CDA-ers schermen voortdurend met de term “solidariteit”. Die is heilig, en er mag niet aan worden getornd. Terwijl het gewoon een eufemisme is voor afpersing, laten we wel wezen.

“Oh well”, hoorde ik laatst Lady Southwold in de tv-serie Upstairs Downstairs berustend zeggen, “after all we‘re all socialists now, aren’t we?” Zo is het maar net, Lady Southwold. We’re all socialists, of we willen of niet. Net als in Cuba. Hoe hebben die Marxistische mafkezen het toch voor elkaar gekregen dat niemand met ze van mening durft te verschillen? Nou, door iedereen die met ze van mening verschilt uit te maken voor een zelfzuchtig monster, een fascist, een extreemrechts gevaar voor de samenleving, een vergasser van joden, en een tegenstander van rechtvaardigheid, barmhartigheid, menslievendheid en voorspoed. Deze morele chantage werkt als een trein; niemand durft meer een mond open te doen.

Laat ik het dan maar eens doen (iemand moet het toch doen, om met de VARA te spreken): het socialisme is een perverse ideologie omdat zij gebaseerd is op de zelfopoffering van het individu. De sterkeren hebben de morele plicht de zwakkeren te onderhouden, daar komt het op neer. Zij moeten offers brengen voor hun medemens en hun leven in dienst stellen van hun medemens.

Dit kan uiteraard niet worden verwezenlijkt zonder dwang, want de vrijwilligers staan dan niet in de rij. Er zijn bitter weinig mensen die uit zichzélf zeggen: ”Weet je wat, ik heb het zó goed, ik geef die arme buurman van me een nieuwe fiat cadeau. Ik kan het best missen, en hij heeft het zo bitter nodig”. Dat soort mensen is dun gezaaid, laten we eerlijk zijn. Ouders voelen zich niet eens geroepen om hun eigen kinderen te onderhouden als die eenmaal volwassen zijn, en dat wordt ook door niemand van ze verwacht. Dus om ze zover te krijgen dat ze levenslang een stuk of drie volwassenen gaan onderhouden die ze niet eens kénnen, zul je ze moeten dwingen. Ik neem aan dat we het daarover eens kunnen zijn.

Ga je die dwang uitoefenen, dan zijn de gevolgen met wiskundige precisie te voorspellen: dan moet je namelijk steeds grotere offers vragen. Het begint met het in beslag nemen van geld, en de verdeling daarvan onder de armen. Dit vergt een enorme bureaucratie, die handen vol geld kost en volslagen improductief is. In plaats van een bijdrage te leveren aan de economie, door handel te drijven of goederen en diensten te produceren, verdienen honderdduizenden bureaucraten de kost met het in beslag nemen van geld bij mensen die het bezitten en het distribueren daarvan onder mensen die geacht worden het nodig te hebben. Zij ontlenen hun bestaansrecht aan het feit dat zij anderen dwingen om filantropie te bedrijven.

Dit leidt onvermijdelijk tot verslechtering van de economie. Je kunt niet zomaar honderdduizenden mensen aan het productieproces onttrekken en ze daarvoor ook nog vet betalen. Dat merk je aan je Bruto Nationaal Product. Dus keldert de economie, daar helpt geen moedertjelief aan.

Die verslechtering wordt vervolgens als rechtvaardiging gebruikt om nóg meer volmachten op te eisen en nog meer offers te vragen: “We dachten dat we hier genoeg aan hadden om de nooddruft in dit land op te lossen”, leggen die bureaucraten dan uit, “maar dat blijkt niet zo te zijn. Onderwijs, openbaar vervoer, gezondheidszorg, politie, ze kampen allemaal met tekorten en de bijstandstrekkers leven nog steeds op de armoedegrens. Om niet te spreken van de honderdduizenden armen die we recentelijk uit het buitenland hebben geïmporteerd! Kijk toch eens hoe slecht die eraan toe zijn! Die zestig procent van uw inkomen die wij u jaarlijks afpersen is niet toereikend! U moet nog meer offers brengen! O, bent u daar niet toe bereid? Dan bent u een gewetenloze egoïst. Een minderwaardig mens. Schaam u!

Deze morele chantage is de grote kracht van het socialisme. Bijna niemand durft op te staan, en tegen Wouter Bos of Jan Marijnissen te zeggen: waar haalt u eigenlijk het recht vandaan om mij dwingend voor te schrijven hoe ver mijn zelfopoffering moet gaan? En daar ook nog een honorarium voor op te eisen? Wie heeft u dat recht gegeven? Bent u God of zo?

Die hele zwakzinnige leer is in strijd met een fundamentele natuurwet, namelijk het overlevingsinstinct van de mens. Het socialisme heeft geen mensen, maar lemmingen nodig om haar doelstellingen te verwezenlijken. Het is een zelfmoord-ideologie. Je hoeft het niet eens in de praktijk te zien mislukken om zeker te weten dat het met totale zelfvernietiging zal eindigen. Of met totale dictatuur. Of beide.

Dat is dan ook in alle landen waar het reëel bestaand socialisme het voor het zeggen had gebeurd. De enige drie die zich nog hebben weten te handhaven zijn China, Cuba en Noord-Korea, en daar heerst dan ook een absolute dictatuur, die het feodalisme in wreedheid overtreft.

Sociaaldemocratie is een contradictio in terminis: want socialisme en democratie zijn volstrekt onverenigbare grootheden. Als we nog een greintje gezond verstand in ons kop hebben, dan stappen we van die totalitaire waanideeën af zolang het nog kan. Straks is het misschien te laat.

Pamela Hemelrijk
Pamela is columniste voor de Metro.