Negen nadelen van de verzorgingsstaat (en ťťn voordeel)


Helemaal niet gratis

Een sigaar uit eigen doos, gedwongen winkelnering, verspilling, demoralisering; tegen de verzorgingsstaat is heel wat in te brengen. Waarom iedereen beter af zou zijn zonder.

De verzorgingsstaat gaat soms behoorlijk ver in het bevorderen van het welzijn van zijn onderdanen. In 2001 besloot de gemeente Tilburg te gaan betalen voor het regelmatige prostitueebezoek van een gehandicapte man, die beweerde door zijn handicap niet aan een vrouw te kunnen komen. Dit op basis van een positief advies van de GGD, die na onderzoek concludeerde dat de hoer een positieve invloed had op de gezondheid van de man.

Critici van de verzorgingsstaat pleiten meestal alleen voor het beperken en hervormen ervan om het betaalbaar te houden. De uitkeringen zijn te hoog, misbruik moet worden teruggedrongen, uitvoering moet worden geprivatiseerd, et cetera. De verzorgingsstaat als zodanig wordt niet ter discussie gesteld. Die vinden we in Nederland blijkbaar nog steeds heel belangrijk, anders zouden we er niet zoveel miljarden aan uitgeven. Maar daar kun je ook anders over denken. Negen bezwaren. En een pluspunt.

1. Hoge belastingen
De verzorgingsstaat is een sigaar uit eigen doos. Door de hoge belastingen die nodig zijn om haar te bekostigen, houden we veel minder geld over om zelf vrij te besteden. De overheidsuitgaven als percentage van het bruto binnenlands product geven een goed idee van de omvang van de verzorgingsstaat. Rond 1900 lagen die op ongeveer tien procent. In 2002 was dat 48 procent. Van het overheidsbudget gaat ongeveer 27 procent naar een aantal essentiŽle kerntaken (defensie, openbaar bestuur, politie, infrastructuur, milieu), 27 procent gaat naar sociale zekerheid, 36 procent naar onderwijs, zorg, subsidies, ontwikkelingshulp en EU en maar liefst tien procent naar rentebetalingen op de overheidsschuld. Als we alles behalve de genoemde kerntaken tot de verzorgingsstaat rekenen, zou het afschaffen van de verzorgingsstaat een bezuiniging van 139 miljard euro per jaar opleveren en de overheidsuitgaven terugbrengen tot dertien procent van het bruto binnenlands product. Dat is wel wat anders dan de minibezuinigingen waar in kabinetsformaties om wordt gevochten, en die bij nader inzien meestal op een lastenverhoging in plaats van een lastenverlaging neerkomen.

De belastingen zijn bovendien minder progressief zijn dan vaak wordt gedacht. Het zijn niet alleen de rijken die veel betalen. Kostprijsverhogende belastingen (zoals btw, vennootschapsbelasting, accijnzen) zijn ongeveer evenredig met het inkomen en sociale premies zijn degressief. Al met al varieert de lastendruk over alle inkomensgroepen ongeveer tussen de vijftig en 65 procent. Zelfs de laagste inkomens staan dus de helft van hun koopkracht af aan de regering. (Berekening voor 1991/1992, bron: OverheidsfinanciŽn.)

2. Gedwongen winkelnering
Het grootste deel van de verzorgingsstaat bestaat uit allerlei door de belastingbetaler bekostigde 'gratis' of gesubsidieerde diensten. Gedwongen winkelnering dus. Het is een vorm van verregaand paternalisme dat de overheid bepaalt waar de burgers hun geld aan moeten uitgeven. Misschien wil de gemiddelde burger wel liever meer aan vakanties uitgeven dan aan cultuur of gezondheidszorg. En de meeste economen zijn het erover eens dat goederen en diensten het efficiŽntst via de vrije markt geleverd kunnen worden. Dat is goedkoper en zorgt voor een optimale afstemming op werkelijke behoeften. Milton Friedman stelt als vuistregel dat het de overheid twee keer zoveel kost als de vrije markt om een dienst te leveren.

Zaken als onderwijs en zorg zijn een soort communistische sector in onze economie, inclusief de bijhorende eenheidsworst, hoge kosten, wachtlijsten en lage servicegerichtheid. Niemand wil dat we, zoals in het voormalige Oostblok, ons eten in staatssupermarkten moeten kopen of onze kleding in staatswinkels. Waarom zou het dan wel een goed idee zijn dat de overheid voor onze cultuur, woonruimte, educatie, gezondheid, enzovoort zorgt? De veronderstelling dat de armen het anders niet kunnen betalen, is geen doorslaggevend argument. Ten eerste betalen de laagste inkomens ook veel belastingen en premies. Ook zij zullen waarschijnlijk meer profijt hebben van belastingverlaging, zodat ze hun diensten naar eigen keuze op de vrije markt kunnen kopen. Ten tweede: als het doel is om inkomen over te hevelen van rijk naar arm, dan is het niet nodig dat in de vorm van gratis of gesubsidieerde diensten te doen. Het zou beter zijn geld te geven in plaats van diensten. Als de armen zelf het geld uitgeven, is er meer efficiŽntie en keuzevrijheid.

3. Verspilling
Naast de verspilling die het niet aan de markt overlaten van allerlei diensten inhoudt, gooit de overheid geld over de balk aan overheidsbureaucratie en projecten waar we weinig aan hebben. Bureaucraten die zich bezighouden met het verzinnen en uitvoeren van onnodig belemmerende regels voor het bedrijfsleven zijn zelfs contraproductief in plaats van alleen maar niet-productief. Vrije-markteconomen stellen dat subsidies meestal bijna volledig verspild worden. Subsidiegeld verhoogt vooral de inefficiŽntie, maar verlaagt nauwelijks de prijzen.

Ook de sociale zekerheid is ten dele verspillend. Sommige uitkeringsontvangers die best zouden kunnen werken, nemen geen baan omdat ze dan hun uitkering verliezen. Ze verkiezen rust en veel vrije tijd boven hard werken voor wat meer geld. Hun potentiŽle productieve bijdrage aan de welvaart wordt dus verspild. Je kunt het ook zo zien dat het geld besteed aan onnodige uitkeringen een verspilling is, omdat de ontvangers net zo goed hun geld zelf hadden kunnen verdienen. Daar komt nog bij dat de overheid de belastingen en premies misloopt die ze had ontvangen als meer uitkeringsontvangers aan het werk waren.

De econoom Murray Rothbard beweert zelfs dat je bij benadering kunt stellen dat het gehele overheidsbudget wordt verspild. Op de markt wordt de waarde van de productie bepaald door het bedrag waarvoor de consumenten die productie vrijwillig opkopen. Aangezien de toegevoegde waarde van de overheid niet wordt verkocht op de markt, kan er volgens Rothbard geen waarde aan de overheidsproductie worden toegekend.

Hoge lasten leiden ook tot indirecte verspilling. Als je bijvoorbeeld voor jezelf klust, hoef je geen belasting te betalen, maar als je voor een ander klust wel. Hoge lasten eroderen daardoor de voordelen van arbeidsspecialisatie. Een voorbeeld is een professor die zijn eigen huis verft. Door de hoge lasten is dat goedkoper dan een uur overwerken op zijn eigen vakgebied om vervolgens van het extra inkomen een schilder in te huren.

4. Demoralisering
Natuurlijk kunnen mensen buiten hun schuld ziek, arm of werkloos worden. Maar het probleem van de verzorgingsstaat is dat hij mensen beloont (betaalt) als ze arm, werkloos of ziek zijn. En straft (belast) als ze werken. Dus voelen meer mensen zich ziek, worden meer mensen arm en slagen minder mensen er in om een baan te vinden. De ironie is dus dat uitkeringen precies datgene veroorzaken wat ze horen te bestrijden. In 1998 moesten elke honderd werkzame mensen 73 inactieve mensen financieren (39 AOW'ers, negentien zieken/arbeidsongeschikten, tien werklozen en vijf bijstandstrekkers). Er is sprake van een vicieuze cirkel: de verzorgingsstaat ondermijnt de zelfredzaamheid van mensen, wat vervolgens weer de legitimatie van de verzorgingsstaat wordt, et cetera.

Charles Murray (bekend van The Bell Curve) publiceerde in 1984 Losing Ground, een uitgebreide analyse van het Amerikaanse sociale beleid. Het bleek dat hoe meer sociale programma's er kwamen, hoe groter het aantal armen, werklozen en alleenstaande moeders. Volgens Murray hebben uitkeringen een groot demoraliserend effect. Als mensen niet meer voor zichzelf hoeven te zorgen, verliezen ze zelfrespect en worden ze lui en afhankelijk. Murray concludeert dat het afschaffen van de verzorgingsstaat niet alleen goed zou zijn voor de mensen die er de belasting voor betalen, maar ook voor de armen die erdoor in de armoedeval terechtkomen.

Toen Murray's boek verscheen, waren zijn ideeŽn nog erg controversieel. Maar een jaar of tien later waren ze gemeengoed geworden in Amerika. Tijdens Clinton's presidentschap werd de bijstand drastisch verlaagd en werden de toelatingseisen een stuk strenger. Tussen 1993 en 2000 halveerde het aantal mensen in de bijstand en het aantal armen nam sterk af.

5. Onzekerheid
Waarom dwingt de overheid mensen zich via de overheid te verzekeren tegen allerlei situaties? Naast de aanname dat je daarmee herverdeelt van rijk naar arm, is er de angst dat iemand zonder sociale zekerheid zomaar ziek, werkloos of oud zou kunnen worden zonder zich daartegen verzekerd te hebben. Maar dat is een uitermate bevoogdend idee. Wie zijn Zalm en Balkenende om ons te vertellen waartegen en hoe we ons moeten verzekeren?

Van alle 'verzekeringsmaatschappijen' is de overheid bovendien wel de meest onbetrouwbare. De overheid kan immers eenzijdig de voorwaarden aanscherpen en de uitkeringen verlagen. En ze doet dat ook regelmatig. Een particuliere verzekeringsmaatschappij zou direct voor de rechter gedaagd worden wegens contractbreuk als ze zich niet houdt aan haar beloften. Weliswaar kunnen verzekeringsmaatschappijen de voorwaarden en tarieven voor bijvoorbeeld brand- en inbraakverzekering vaak per jaar aanpassen, maar je kunt ook langetermijncontracten afsluiten, zoals een pensioenverzekering. Als je daar eenmaal premie voor hebt betaald, mag een verzekeringsmaatschappij niet doodleuk bij je pensioen aankondigen dat ze gaan bezuinigen op de afgesproken uitkering. En een particuliere verzekeraar mag niet de voorwaarden veranderen nadat het verzekerde risico zich al heeft voorgedaan. Dan zou een brandverzekering de dekking kunnen veranderen op het moment dat je huis al in brand staat. Zo mag een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering de afgesproken uitkering ook niet verlagen nadat je arbeidsongeschikt geworden bent. Maar als de overheid de zaak flest, is er niets aan de hand. Sociale zekerheid leidt dus tot onzekerheid. Willen we zekerheid, dan moeten we overstappen op een particulier systeem.

De AOW leidt bovendien tot een enorm verlies aan rente in vergelijking met het zelf sparen voor later. Iemand van 35 die nu duizend euro meebetaalt aan de AOW van iemand anders, hoopt dat als hij zelf 65 is iemand anders duizend euro (voor inflatie gecorrigeerd) meebetaalt aan zijn AOW. Maar als hij zelf die duizend euro zou sparen, zou hij veel meer krijgen. Stel dat het rendement van een beleggingsfonds zeven procent per jaar is en de inflatie twee procent. Over een periode van dertig jaar is een bedrag van duizend euro bij een reŽel rendement van vijf procent gegroeid tot 4322 euro. Voor hetzelfde geld krijg je dus ruim vier keer zoveel als wat de verzorgingsstaat je geeft.

6. De verzorgingsstaat is elitair
Het is de bedoeling dat de verzorgingsstaat geld overhevelt van rijk naar arm. Maar een fataal probleem waar public choice-economen op wijzen, is dat er een politiek spel van pressiegroepen en kiezersbelangen ontstaat om de lusten en lasten van die verzorgingsstaat te verdelen. De verleiding van de middenklasse en de rijken is erg groot om ook een graantje mee te pikken van de verzorgingsstaat en lage inkomens er ook aardig aan mee te laten betalen.

Uit de studie Inkomensherverdeling door sociale zekerheid (Universiteit Leiden, 1998) blijkt dat in 1995 slechts 58 procent van de uitgaven aan sociale zekerheidsuitkeringen terechtkwamen bij de vijftig procent armste huishoudens. De overige 42 procent ging naar de rijkere helft van de bevolking. Die profiteert bijvoorbeeld flink mee van AOW, WW en WAO. Na herverdeling via belastingen, premies en sociale uitkeringen ging het inkomensaandeel van de armste helft vooruit van zeventien procent naar 26 procent. Toch kun je daar niet uit afleiden dat sociale zekerheid een groter nivellerend effect heeft dan een particuliere verzekering. Een particuliere sociale verzekering nivelleert immers ook. Alle verzekeringspremies gaan als het ware in een pot, en daarvan gaat weer geld naar ziek, oud of werkloos geworden verzekerden. Verder is de vooruitgang van de armen relatief, in termen van het aandeel van het totale inkomen. Het is niet duidelijk dat de armen er in absolute zin op vooruitgaan. In ieder geval gaan zowel arme als rijke werkenden in inkomen achteruit door belastingen en premies.

In het rapport Profijt van de Overheid III (1994) van het Sociaal en Cultureel Planbureau werd een analyse gemaakt van het profijt van de belangrijkste overheidsvoorzieningen en -subsidies. Het bleek dat maar liefst 67 procent van het profijt terecht kwam bij de vijftig procent rijkste huishoudens. Hierbij zijn de uitgaven voor onderwijs en studiefinanciering meegerekend. Kinderen van rijkeren maken meer gebruik van hoger onderwijs en het zijn vooral rijkeren die gebruik maken van gesubsidieerde cultuur en recreatie.

Worden bovengenoemde resultaten gecombineerd, dan komt 56 procent van het totale profijt van de verzorgingsstaat bij de rijkste helft terecht. De verzorgingsstaat wordt gepropageerd ten behoeve van de armen, maar in werkelijkheid gaan de meeste uitgaven naar dingen die de rijken belangrijk vinden. De verzorgingsstaat is dus elitair.

7. Zowel arm als rijk is slechter af
Hoewel de rijken iets meer van de verzorgingsstaat profiteren dan de armen, betalen de rijken, in ieder geval in absolute zin, wel significant meer belasting. Maar uit het feit dat de rijken veel belasting betalen, volgt niet dat de armen daar profijt van hebben. Ook de armen hebben waarschijnlijk niet zoveel profijt van de verspillende overheidsuitgaven dat dat een halvering van hun inkomen goed maakt. Daarnaast wijzen economen op het fenomeen van afwenteling. Als bijvoorbeeld de belasting op hoge inkomens toeneemt, compenseert de markt dat gedeeltelijk door de brutolonen van de hoge inkomens te verhogen.

Al met al is het de vraag of de armen er door de verzorgingsstaat op vooruitgaan ten koste van de rijken. Het is veel waarschijnlijker dat de verspilling en inefficiŽntie van de overheid zowel arm als rijk een stuk armer maken. Als er nivellering is, is dat eerder van werklustig naar lui dan van rijk naar arm. Hardwerkende arbeiders betalen mee aan de uitkeringen van werkloze intellectuelen, die kieskeurig zijn bij het accepteren van een baan. Maar er is eigenlijk vooral herverdeling van burgers naar de bodemloze put van de overheid in plaats van tussen burgers onderling.

In het boek Leve de globalisering haalt Johan Norberg verschillende onderzoeken aan (onder meer van het Fraser Institute) waaruit blijkt dat landen met de meeste economische vrijheid verreweg de grootste welvaart, de minste armoede, de hoogste economische groei en de hoogste levensverwachting hebben. Opmerkelijk is dat zelfs blijkt dat landen met de meeste economische vrijheid de minste inkomensongelijkheid hebben. Dat komt waarschijnlijk doordat in onvrije landen vooral de mensen met privileges rijk kunnen worden. In landen met een vrije economie heeft iedereen een kans op een redelijk betaalde baan. In Hong Kong was er, voor de overname door China, door de ongereguleerde arbeidsmarkt en het ontbreken van een verzorgingsstaat vrijwel geen werkloosheid.

8. De verzorgingsstaat is asociaal


Ayn Rand
Maar stel dat de armen wel beter af zijn door de verzorgingsstaat. Dan nog kun je je afvragen of dat wel sociaal is. Volgens de schrijfster/filosofe Ayn Rand is de verzorgingsstaat gebaseerd op een immorele vorm van altruÔsme, waarbij iedereen gedwongen wordt zich op te offeren voor anderen. Wat is er sociaal aan om van de een geld af te pakken om het aan de ander te geven? En wat is er sociaal aan het stemmen op een partij die belooft anderen te beroven om jou een hogere uitkering of subsidie te geven? Als Jan Piet dwingt om Kees te helpen, is dat niet sociaal, maar asociaal. Als Jan vindt dat Kees geholpen moet worden, staat het hem vrij dat zelf te doen. Dat is sociaal.

Waarom moet inkomen herverdeelt worden? Is de verdeling van de markt niet al eerlijk? Iedereen verdient immers al precies datgene wat anderen hem vrijwillig voor zijn productieve prestatie betalen. Hoe meer iemand in de behoeften van anderen voorziet, hoe meer hij verdient. Robert Nozick publiceerde in 1974 het klassiek geworden politiek-filosofische werk Anarchy, State and Utopia. Daarin betoogt hij onder meer dat inkomensherverdeling niet te rechtvaardigen valt. Hij stelt bijvoorbeeld dat als je geld afneemt van de een om aan de ander te geven, je daarmee beslag legt op de vruchten van iemands arbeid. Je bepaalt daarmee mede welk doel het leven van die ander moet dienen. Je claimt als het ware een eigendomsrecht op een ander persoon. Je probeert de rijken als een soort slaven van de armen te gebruiken. Dat is in strijd met het zelfbeschikkingsrecht.

Bovendien, als inkomensnivellering rechtvaardig is, moeten we om consequent te zijn niet pleiten voor inkomensherverdeling van rijk naar arm in Nederland, maar voor inkomensherverdeling van zowel arm als rijk naar de derde wereld. De Nederlandse armen zijn immers een stuk rijker dan de armen in de derde wereld. Dus zelfs de armste Nederlanders zouden eigenlijk het grootste deel van hun inkomen aan hen moeten afstaan.

9. Erosie van solidariteit
De verzorgingsstaat is gebaseerd op gedwongen solidariteit. Iedereen is verplicht via belastingen aan goede doelen te betalen. Maar echte solidariteit is vrijwillig. En die solidariteit wordt door de verzorgingsstaat ondermijnd. Die is immers niet meer nodig als de overheid al voor de armen zorgt.

Het alternatief voor de verzorgingsstaat is particuliere verzekering en andere vrijwillige verbanden. In het negentiende-eeuwse Engeland was bijvoorbeeld de meerderheid van de mannelijke arbeiders lid van een friendly society, die voor leden zorgde bij werkloosheid of ziekte. Door een goede controle, en concurrentie, waren contributies laag.

In landen zonder verzorgingsstaat zorgen mensen meer voor familie en vrienden. En voor die enkeling die echt buiten de boot valt, is er liefdadigheid. Liefdadigheid die erop gericht is mensen zoveel mogelijk te helpen voor zichzelf te zorgen, in plaats van ze afhankelijk te maken. De verzorgingsstaat is asociaal, want dwangmatig. Liefdadigheid is sociaal, want vrijwillig. Er is geen garantie dat mensen de minstbedeelden gaan helpen. Maar die garantie is er nu evenmin. De armen worden alleen geholpen als de meerderheid daarvoor stemt. Als niemand bereid zou zijn aan liefdadigheid te geven, dan zou de democratie er ook niet voor zorgen. Volgens het rapport Geven in Nederland van de VU gaven Nederlanders in 2001 naar schatting 4,33 miljard euro aan goede doelen, ofwel 271 euro per inwoner. Ongeveer de helft komt van bedrijven en de helft van particulieren. Mensen doneren ook hun tijd: 25 procent van de volwassen Nederlanders doet regelmatig onbetaald vrijwilligerswerk. In vroeger eeuwen, voordat ze werden weggeconcurreerd door de verzorgingsstaat, waren kerken en andere organisaties actief op het gebied van armenzorg. Als dat zelfs in die arme tijden mogelijk was, dan moet het met onze huidige rijkdom helemaal geen probleem te zijn.

Pluspunt
Laten we eerlijk zijn. De verzorgingsstaat heeft niet alleen maar nadelen. Een groot voordeel is dat het erg sociaal voelt om in een verzorgingsstaat te leven. We offeren er immers ruim de helft van ons inkomen aan op. Dat is heel sociaal, want zelf verdiend geld zelf houden is heel egoÔstisch. Bovendien, zou het niet vreselijk zijn als mensen al hun geld zomaar zouden kunnen uitgeven aan nutteloze dingen die ze zelf kiezen, in plaats van aan nuttige dingen gekozen door een sociaal bewogen elite?

Rijker zijn dan een ander is erg asociaal. Maar door de verzorgingsstaat hoeven we ons daar niet langer schuldig over te voelen. Alles wat we krijgen, is immers het resultaat van een eerlijke herverdeling door een wijze overheid, die iedereen precies geeft waar hij volgens de allerlaatste wetswijziging fundamenteel recht op heeft. Bovendien komt de verzorgingsstaat tegemoet aan onze oprechte gevoelens van afgunst. Onze buurman mag niet te veel rijker zijn dan wijzelf. Daarom is het zo fijn dat de verzorgingsstaat het vrijheidsideaal vervangt door het gelijkheidsideaal.

Het meest vreselijke aan vrijheid is wel dat mensen dan heel stomme dingen kunnen doen. Zoals ongezond eten, aan onveilige seks doen of andere volstrekt onverantwoorde risico's nemen. Een sociaal voelend persoon zou het liefst al die dingen met de harde hand der wet verbieden. Niets getuigt van grotere naastenliefde dan de bereidheid zo nodig geweld te gebruiken, niet uit eigenbelang maar puur voor een anders bestwil. Maar helaas is dat in strijd met onze hopeloos ouderwetse vrijheidstraditie. Gelukkig biedt de verzorgingsstaat daar een briljante oplossing voor. Bij een particulier gezondheidssysteem zou je zelf extra premie betalen als je riskante dingen wilt doen. Maar in de verzorgingsstaat betaalt iedereen eraan mee. Het verbieden van drugs of autorijden zonder gordel is dus geen vrijheidsaantasting, maar juist een bescherming van andermans geld. Dus mogen we ook seks zonder condoom en het eten van te veel suiker gaan verbieden, want iedereen betaalt mee als je daar ziek van wordt.

Aan ons eigen lot overgelaten zouden we weleens ten prooi kunnen vallen aan allerlei risico’s en ongemakken van de boze kapitalistische wereld. De overheid beschermt ons daar maar mooi tegen. De meeste mensen zijn nou eenmaal veel te dom om voor zichzelf te zorgen. Dat kunnen ze veel beter aan slimme politici overlaten, door die domme mensen zelf gekozen.

Henry Sturman
Eerder gepubliceerd in HP/De Tijd, 18 juli 2003